De voorbije weken liet de conferentie van de Brusselse burgemeesters zich een paar keer horen over het gewestelijk parkeerplan. Ze vinden onder meer de tarieven die er voorgesteld worden te hoog en ze willen dat elk gezin meerdere bewonerskaarten moet kunnen krijgen. Bovendien willen ze de invoering van het parkeerplan liefst over de gemeenteraadsverkiezingen heen tillen. Kop van jut is daarbij mijn collega minister Grouwels.
Het was misschien te verwachten: welke burgemeester wil vlak voor de verkiezingen aan zijn bevolking meedelen dat het parkeren duurder wordt? Nochtans slaan ze de bal mis. Want de positieve gevolgen voor hun bevolking zullen groot zijn. Als staatssecretaris voor mobiliteit wil ik mijn collega dan ook graag te hulp schieten. Laat mij een en ander even op een rijtje zetten.
Het verkeer in Brussel zit vast. Om het weer vlot te krijgen, heeft de Brusselse regering besloten om de autodruk met 20% te laten dalen tegen 2018. Vergelijk het met het verkeer op een schoolvakantiedag: geen files meer, een aangename sfeer in de stad en lucht die een stuk zuiverder is.
Om dat doel te bereiken is een uniform gewestelijk parkeerbeleid cruciaal. Dankzij een doordachte parkeerpolitiek kan je het verplaatsingsgedrag van mensen namelijk sterk beïnvloeden. Dat is tot nu toe nooit gebeurd. Elke gemeente voerde zijn eigen parkeerbeleid en daarbij was de toestand van de gemeentefinanciën meestal belangrijker dan de invloed die men op de mobiliteit in de gemeente wou hebben.
Sommige mensen zeggen: het is eenvoudig, we moeten gewoon meer parkeerplaatsen hebben. Daardoor zal het zoekverkeer (mensen die een parkeerplaats voor hun auto proberen te vinden) verdwijnen en daarmee ook de files.
Zoekverkeer is inderdaad hinderlijk en zorgt voor heel wat overbodige verplaatsingen. Extra parkeerplaatsen zullen dat probleem echter niet oplossen. Tijdelijk misschien wel maar onvermijdelijk krijg je een aanzuigeffect waardoor je na een tijdje opnieuw extra plaatsen zal moeten creëren. Er zijn vandaag namelijk een heleboel mensen die op een alternatieve manier naar Brussel komen, zelfs al hebben ze wel een wagen. Een van de redenen daarvoor is dat die mensen het beu zijn van lang naar een parkeerplaats te zoeken. Maak extra plaatsen, dan duurt het niet lang voor die mensen dat doorkrijgen en voor je het weet komen ze weer met de auto naar Brussel.
Bovendien moet je je eens afvragen waar we die extra parkeerplaatsen zouden moeten maken? Vandaag zijn er al 293.000 parkeerplaatsen in Brussel. Dat is goed voor 2,5 km² autostockage (en dan moeten ze nog allemaal ordentelijk geparkeerd staan) ofwel ongeveer de oppervlakte van een gemeente als Ganshoren. Willen we nog meer ruimte op die manier gebruiken? Terwijl we weten dat een vierkante meter grond in Brussel steeds meer kost, dat de bevolkingsdruk steeds groter wordt (en daar moet ook plaats voor gevonden worden) en dat één van de redenen waarom de middenklasse Brussel verlaat het gebrek aan levenskwaliteit is. Op een parking of in een straat vol met geparkeerde auto’s is die levenskwaliteit vaak ver te zoeken. Gezellig of aangenaam kan je het daar niet noemen.
1 op 4
293.000 plaatsen, dat is dus net genoeg voor een kwart van de Brusselaars. En dan vergeet ik voor het gemak even al de pendelaars die met de wagen komen en die dus ook een plaats zoeken. Kwistig met bewonerskaarten rondstrooien is dus een slecht idee. Ten eerste moet je mensen geen valse hoop geven: als je veel meer kaarten begint uit te delen dan er parkeerplaatsen zijn, dan krijg je op een bepaald moment problemen. Ten tweede is het ook een kwestie van eerlijkheid. Als je maar voor 1 op 4 mensen een parkeerplaats kan voorzien (en door de toenemende bevolking zal dat binnenkort wellicht voor 1 op 5 mensen worden) dan is “eerst komt, eerst maalt” niet een manier van werken die van de overheid verwacht.
Dat een auto voor veel mensen nodig is, neem ik aan. En dus moeten we ervoor zorgen dat ze die in de buurt van hun huis parkeren en enkel gebruiken als het echt nodig is. Vandaar dat een goed mobiliteits- of parkeerbeleid mensen moet laten nadenken over het gebruik van die wagen.
De wortel en de stok.
De wortel in het parkeerbeleid is het goedkoop parkeren rond je huis dankzij een bewonerskaart. Voor amper 40 euro per jaar (erg goedkoop trouwens als je met de Nederlandse tarieven vergelijkt) heb je een plaats in je buurt. Het bezit van een wagen wordt dus niet bestraft.
De stok in de parkeerpolitiek is dat het buiten de zone rond je huis wel betalend is. De prijs voor deze zgn. bestemmingsparkings moet daarbij zo hoog zijn dat je toch even gaat nadenken of je de verplaatsing niet op een andere manier dan met de wagen kunt doen.
Wie even doordenkt, beseft natuurlijk dat de zone waarbinnen een bewonerskaart geldig is dus niet te ruim mag zijn. Anders krijg je toch weer mensen die voor te korte afstanden hun auto gaan gebruiken. Als je weet dat in Brussel maar liefst 25% van de verplaatsingen met de auto korter zijn dan 1 km, dan zie je meteen waar de quick-win te vinden is.
In vele buitenlandse steden gebruikt men de regel dat de prijs voor het bestemmingsparkeren zo hoog moet zijn dat er constant 10% plaatsen vrij zijn. Je moet dus inderdaad betalen als je niet anders kan dan met de auto te komen maar in ruil vind je wel snel een parkeerplaats en zo win je dus heel wat tijd in vergelijking met de situatie vandaag. Werkt dat? Ja, dat werkt. Dat is met succes aangetoond in Amsterdam, Kopenhagen, Lyon en vele andere steden. Zoekverkeer voor een parkeerplaats is daar zo goed als verdwenen, het aantal mensen dat met openbaar vervoer, de fiets of te voet gaat is er aanzienlijk gestegen. En vooral: die steden werden een stuk aangenamer.
Wat krijgen we als we het broodnodige parkeerbeleid krampachtig gaan tegenhouden, zoals de burgemeesters blijkbaar willen proberen? Dan blijven we zitten in de hopeloze wanorde die we nu kennen: inwoners die dagelijks rondjes moeten rijden rond hun woning op zoek naar parkeerplaats, foutgeparkeerde wagens die voetgangers en fietsers in gevaar brengen, tram en bus die door dubbelparkeerders en files te traag rijden en dus geen echt alternatief vormen, …
Als we wel een goed parkeerplan maken, dan krijgen we eindelijk een leefbare stad. De Brusselaars zullen nog steeds goedkoop in de buurt van hun huis kunnen parkeren én zullen daar door de hogere tarieven voor bezoekers ook veel sneller plaats vinden. Het zoekverkeer, het dubbel en foutparkeren zal grotendeels verdwijnen waardoor we minder files en een efficiënter openbaar vervoer zullen hebben. Kortom… het is dé manier om van Brussel eindelijk een aangename plek te maken.
Blijkbaar zijn sommige burgemeesters ervan overtuigd dat zij hun inwoners al deze noodzakelijke verbeteringen moeten onthouden. Politicus zijn, betekent echter keuzes voor de toekomst durven maken. Het zijn zelfs niet eens gedurfde keuzes: heel wat grote Europese steden zijn ons voorgegaan, de recepten zijn m.a.w. gekend. Misschien wordt het tijd dat onze inwoners hun lokale mandatarissen eens wat moed bijbrengen? Ik ben in elk geval bereid dit verhaal voor de Brusselaars te verdedigen omdat ik weet dat onze stad erop zal vooruitgaan. Brussel heeft nood aan een parkeerbeleid. Brussel heeft recht op een parkeerbeleid.


