Kiezen om niet te kiezen

Rubriek:
Opinie

De laatste weken wordt de druk op cultuurliefhebbers (of was het kultuurliefhebbers) opgevoerd om te kiezen voor een Belgisch of een Vlaams cultuurbeleid. Voor beide zijn heel wat argumenten pro én argumenten contra aan te halen. Maar moeten we wel kiezen? Bruno De Lille, Brussels Staatssecretaris die binnen de Vlaamse Gemeenschapscommissie bevoegd is voor cultuur, pleit voor een andere aanpak. Kijk naar wie betrokken is of zich betrokken voelt, waar het project plaatsvindt en voor wie het bedoeld is en bepaal dan wie zal ondersteunen.

Als cultuurliefhebber slaap ik de laatste tijd niet goed meer. De vraag: “Kies ik voor een Belgisch of voor een Vlaams cultuurbeleid?” blijft maar door mijn hoofd malen. De laatste weken moeten cultuurliefhebbers (of was het kultuurliefhebbers? :-) namelijk kleur bekennen. En liefst in zwart-wit. Moeten ze een kant kiezen. Maar eigenlijk wil ik niet kiezen.

Kiezen tussen een Belgisch of een Vlaams cultuurbeleid is volgens mij een valse keuze. Een rigide, ideologische keuze die geen rekening houdt met de werkelijkheid, maar deze integendeel in hokjes probeert te duwen. En dat is, zeker als het over cultuur gaat, geen goed idee.

Een goede voedingsbodem

Net zoals er niet één publiek bestaat, kan je ook niet spreken over één culturele sector. Dat zie je vooral in de steden waar zowel het experimentele als het traditionele, het lokale als het internationale naast elkaar bestaan. Soms beïnvloeden ze elkaar, soms versterken ze elkaar… Ze zorgen in elk geval voor de dynamiek die maakt dat een stad leefbaar én aantrekkelijk is voor al haar inwoners. Die dynamiek komt er niet zomaar. Die komt er pas als de voedingsbodem goed is: ik heb het dan niet alleen over de nodige financiële ondersteuning maar ook, en vooral, over de betrokkenheid van de ondersteunende overheid (of –heden). Kan het de subsidiegever iets schelen? Maakt het voor hem of haar een verschil als een werking, een project of een evenement er is of er niet is?  

Als je dit als maatstaf neemt, kom je makkelijk tot een logische verdeling. Een cultuurcentrum dat hoofdzakelijk een werking in zijn buurt ontwikkelt, moet vooral steun ontvangen van de gemeente. Een theater dat zijn publiek zoekt binnen het hele Vlaamse publiek, vindt zijn steun dan op Vlaams niveau en een instelling die zich in haar werking naar alle gemeenschappen van het land richt en zelfs internationaal actief is, is beter gediend met  federale steun.

Zoiets kan natuurlijk alleen maar slagen als er op elk niveau ook iemand is die zich verantwoordelijk kan tonen: we hebben dus inderdaad een federale minister van cultuur nodig maar dat betekent niet dat de Vlaamse dan moet verdwijnen. Integendeel.

Een beleid op maat

We hebben daarbij een beleid op maat nodig. We moeten duidelijk bepalen wat we op welk niveau gaan behandelen, het aantal verantwoordelijken beperken en het aantal deuren waar de sector bij moet aankloppen drastisch verminderen. Ook in Brussel (jawel, ik veeg graag voor mijn eigen deur).

Nu, het zal u misschien verwonderen maar ik ben zeker dat sommige mensen hier vooral de nadelen van zullen inzien. In Brussel zijn er nu niet minder dan 41 politieke spelers die cultuur in hun portefeuille hebben: 1 Vlaamse Cultuurminister, 1 Cultuurminister van de Franse Gemeenschapsregering, 1 Collegelid van de VGC voor cultuur, 1 Collegelid van de COCOF voor cultuur, 1 Minister voor Brussel  in de Vlaamse regering, 1 Eerste Minister in de federale regering, 2 Ministers bevoegd voor het imago van Brussel in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, 19 Franstalige schepenen van cultuur en 15 schepenen voor Nederlandstalige Aangelegenheden. Een project krijgt dus altijd wel ergens iets van ondersteuning. Tot een krachtig cultuurbeleid heeft het tot nu toe echter nog niet geleid.

Vandaar: laten we er ook in Brussel maar de schaar inzetten. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) zou daarbij heel wat van die culturele taken kunnen overnemen.

Strijdtoneel

Wat we nodig hebben is een alomvattend debat over de organisatie van onze rijke cultuur in dit land met als doel: op zoek te gaan naar een duidelijke taakverdeling tussen de verschillende overheden, te bepalen wie welke opdrachten, verantwoordelijkheden en uiteraard ook de middelen krijgt.

Zo vermijden we dat we dat we de volgende jaren energie blijven steken in discussies die het culturele veld als een strijdtoneel tussen de 2 grote gemeenschappen beschouwen. Een strijd met de zogenaamde ‘identiteit’ als inzet. Een strijd die er vooral voor zal zorgen dat we internationaal elke relevantie zullen verliezen.

Het is geen zwart-wit keuze en de ideologische hardliners zullen zich er wellicht niet kunnen in vinden. Maar de Belgische, Brusselse, Waalse, Vlaamse, Duitstalige en lokale cultuurbeoefenaars en –liefhebbers zullen er de nodige stappen mee vooruit kunnen zetten. Dat is het streven dat ons bindt.

 

Bruno De Lille