Gerommel in de marge (Hoogleraar Hendrik Vuye). Een muizenstapakkoord (Guy Tegenbos). Les Snuls blijven aan de macht (Rik Van Cauwelaert). De ontgoocheling is groot bij heel wat Vlaamse commentatoren. En wij, de Vlaams-Brusselse politici, moeten het daarbij ontgelden. We hebben ons laten rollen. De revolutie waar blijkbaar iedereen zat op te wachten, is er niet gekomen.
Dat hebben die Vlaams-Brusselse politici natuurlijk voor een deel aan zichzelf te danken. Sommigen staan al lang te roepen dat de enige manier om van Brussel iets te maken, het samensmelten van de 19 gemeenten is. En van de 6 politiezones. En van de 19 ocmw’s. Soit, van de 19 baronieën dus. Want die zijn allemaal even verdorven, inefficiënt en ga zo maar door. En als je dat dan niet binnenhaalt, dan krijg je onbegrip.
De vraag is nu natuurlijk: waarom heeft dan geen enkele (!) partij de afschaffing van die 19 gemeenten echt op tafel gelegd? Waarom hebben de Vlamingen dan niet de revolutie uitgeroepen? Filosofe Simone Weil zei ooit: “Velen zien revolutie als een mirakelmiddel dat hen het oplossen van problemen bespaart”. Het witte blad, de propere lei, … zijn inderdaad aanlokkelijk (en kunnen, in tegenstelling tot een pragmatische, genuanceerde boodschap, snel op veel applaus rekenen) maar lossen niets op. In een stad van 1,1 miljoen mensen begin je niet zomaar even opnieuw. Dat doe je stap voor stap door de structuren te verbeteren. En ook de Vlaamse Brusselaars weten dat.
Met Groen! pleiten we dan ook niet voor een afschaffing van die gemeenten. We stellen wel voor om hun bevoegdheden te beperken: alleen de echt lokale kwesties blijven bij de gemeenten, de rest gaat naar het gewest. Eigenlijk zoals Antwerpen en zijn districten.
Daarom ben ik toch tevreden met de vooruitgang die er geboekt is. We hebben die deur opengekregen. De vleugels van de gemeenten werden geknipt. Alle belangrijke bouwprojecten zullen vanaf nu door het gewest behandeld worden. De minister-president zal zich niet meer kunnen wegsteken als er rellen zijn in onze gemeenten. En als Staatssecretaris voor mobiliteit zal ik eindelijk voor het hele gewest een mobiliteitsplan kunnen opmaken dat ook door de gemeenten gerespecteerd moet worden. Moet! Zoniet, dan stelt het Gewest zich in de plaats van de gemeenten. Voor veel burgemeesters is dit slikken, een revolutie. Gemeentelijke mobiliteitsplannen kon je tot nu toe vaak samenvatten als ‘hoe duwen we de overlast tot net over onze gemeentegrens’. Gemeenten durfden wegen opnieuw in te richten zonder ook maar enige fietsinfrastructuur te voorzien. We wachten al 10 jaar op onze sneltram naar het UZ Jette. En over het parkeerbeleid durf ik zelfs niet te beginnen. Dat we dit alles eindelijk gecoördineerd kunnen aanpakken, zal het leven van heel wat Brusselaars én pendelaars een stuk aangenamer maken.
Betekent dit dat het bereikte akkoord historisch is? Helaas niet, daarvoor zijn er nog teveel absurditeiten: het versnipperde sociale beleid, het ontbreken van een gewestelijke politie,... Maar de hervorming voor Brussel die deze week op papier werd gezet, zet wel een dynamiek in gang. De dynamiek van het juiste beleid op het juiste niveau. Misschien traag maar wel zeker. En vooral, onomkeerbaar.

